voor inwoners, met gemeenten

Tijdens een inspectie kijkt het Team Toezicht Kinderopvang of een kindcentrum voldoet aan de kwaliteitseisen uit de Wet kinderopvang. Deze kwaliteitseisen staan verder uitgewerkt in het Besluit kwaliteit kinderopvang, de Regeling kwaliteit kinderopvang en de Wet Kinderopvang.

Landelijke werkwijze

We werken volgens een landelijke werkwijze. Zo controleren inspecteurs overal in Nederland op dezelfde manier.

Het kindercentrum zorgt zelf voor goede en veilige opvang. De GGD houdt toezicht en de gemeente grijpt in als dat nodig is. Zo zorgen we samen voor een veilige en fijne plek voor kinderen.

Zo toetsen we de kwaliteit

De kwaliteitseisen uit de wet zijn vertaald naar duidelijke voorwaarden. Tijdens een inspectie kijkt de toezichthouder of de houder aan deze voorwaarden voldoet. Dat gebeurt op verschillende manieren. De toezichthouder leest documenten, kijkt rond op locatie en praat met medewerkers. Al deze informatie komt samen in een inspectierapport.

Waar letten we op?

Het inspectierapport van een kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang bestaat uit zes onderdelen (domeinen). Dit zijn de onderwerpen die de toezichthouder kan beoordelen.

Bij dit onderdeel kijkt de toezichthouder naar een aantal basisdingen. De toezichthouder toetst deze voorwaarden dan ook vooral bij de start van een locatie. Voorbeeldvragen zijn: Is de administratie van de houder op orde? Heeft de houder toestemming gekregen om de locatie te starten? En werkt de houder mee aan verzoeken van de toezichthouder?

Hier kijkt de toezichthouder naar het pedagogisch beleid en hoe dit in de praktijk werkt.

Ook voorschoolse educatie op kinderdagverblijven is hier onderdeel van. De toezichthouder beoordeelt bijvoorbeeld of er sprake is van verantwoorde opvang en of de houder ervoor zorgt dat het pedagogisch beleid wordt uitgevoerd in de praktijk.

Dit onderdeel gaat over de stabiliteit op een locatie. Heeft de houder bijvoorbeeld voldoende personeel met de juiste diploma’s? Heeft iedereen een verklaring omtrent het gedrag? Heeft ieder kind een mentor? En welke taal spreken de beroepskrachten met de kinderen?

Bij dit onderdeel gaat het om het beleid veiligheid en gezondheid, kinder-EHBO en het handelen bij kindermishandeling of grensoverschrijdend gedrag. Vragen in dit onderdeel zijn bijvoorbeeld: Heeft de houder goed in beeld wat de grote risico’s op de locatie zijn? Weten beroepskrachten hoe zij moeten handelen als er toch iets misgaat? Wat doe je als je ziet dat een collega grensoverschrijdend gedrag vertoont naar een kind?

Hier beoordeelt de toezichthouder of er genoeg binnen- en buitenspeelruimte is, of deze ruimtes toegankelijk en veilig zijn en passen bij de leeftijd en het aantal kinderen.

Bij dit onderdeel staan ouders centraal. Krijgen zij voldoende informatie van de houder? Is er een oudercommissie? Heeft de houder een klachtenregeling? En maakt de houder een verslag van de klachten die worden ingediend?

Soorten onderzoek

De GGD voert in opdracht van de gemeente verschillende soorten onderzoeken uit. Het jaarlijks onderzoek is het meest bekend. De toezichthouder kan ook ander soort onderzoek uitvoeren, namelijk:

  • een onderzoek voor registratie
  • een onderzoek na registratie
  • een nader onderzoek of een incidenteel onderzoek

Wil je een kinderopvang starten? Dan vraag je bij de gemeente of je locatie mag worden opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang. Op het aanvraagformulier staat welke documenten je moet meesturen.

De gemeente vraagt ons om een inspectie uit te voeren. We werken daarbij volgens de landelijke werkwijze ‘Streng aan de Poort’. Dit betekent dat de toezichthouder goed onderzoekt of de verwachting is dat je aan alle voorwaarden gaat voldoen. Zo moeten beleidsdocumenten op dit moment al helemaal op orde zijn. We vragen voorafgaand aan het onderzoek nog meer documenten bij de (toekomstige) houder op. Ook bezoekt de toezichthouder de locatie om aanvullende vragen te stellen over de opvang.

Meer informatie over het starten van een kindercentrum vind je op de website van de Kamer van Koophandel.

Je vraagt de registratie aan bij de gemeente waar je opvang start. De aanvraagformulieren vind je op de website van de Rijksoverheid.

Binnen 3 maanden na registratie in het Landelijk Register Kinderopvang komt de toezichthouder opnieuw langs. Bij dit onderzoek beoordeelt de toezichthouder voorwaarden die bij het onderzoek voor registratie nog niet getoetst konden worden. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de pedagogische praktijk en de uitvoering van de verschillende beleidsdocumenten.

Bij elk kinderdagverblijf, elke buitenschoolse opvang en elk gastouderbureau doen we jaarlijks een inspectie. De toezichthouder bepaalt wat hij onderzoekt op basis van de werkwijze flexibel toezicht. Dit betekent in de praktijk dat elk onderzoek een thema heeft. De toezichthouder gaat uitgebreid in op dit thema. Zo kan de toezichthouder de wet toetsen, maar krijgt de toezichthouder ook een goed beeld van hoe de houder het op deze locatie doet op dit onderwerp. Afhankelijk van hoe goed de houder (op deze locatie) de wet heeft nageleefd de afgelopen jaren, doet de toezichthouder een kleiner of groter onderzoek. Dit noemen we risico-gestuurd toezicht.

Dit onderzoek vindt plaats in opdracht van de gemeente als wij bij een eerdere inspectie overtredingen hebben vastgesteld. De houder heeft vooraf aan het onderzoek een brief ontvangen waarin staat binnen welke termijn de houder alsnog aan de voorwaarden moet voldoen. Na deze hersteltermijn beoordeelt de toezichthouder de voorwaarden waaraan de houder eerder niet voldeed opnieuw.

Soms doen we een inspectie omdat de houder een wijziging in de opvang aanvraagt. Ook kan de gemeente ons vragen om langs te gaan als er een klacht of signaal binnenkomt over een locatie.

Hoe verloopt een inspectie van de GGD bij de kinderopvang?

De start van het onderzoek is meestal een locatiebezoek van de toezichthouder. Daarna stuurt de houder documenten toe, die de toezichthouder beoordeelt. Als er één of een paar overtredingen zijn, kan de toezichthouder ervoor kiezen de houder een herstelaanbod te doen. De toezichthouder stelt een conceptrapport op. Daarna kan de houder contact opnemen voor hoor en wederhoor. Tot slot kan de houder voor de meeste onderzoeken een zienswijze indienen. Daarna wordt het rapport definitief gemaakt en wordt het gepubliceerd. Hierna worden de verschillende fases verder uitgelegd.

De toezichthouder bezoekt de locatie om de praktijk te observeren en om met beroepskrachten te praten. Soms gaat de toezichthouder ook in gesprek met de locatieverantwoordelijke. Dit kan ook achteraf telefonisch plaatsvinden. Soms is er alleen mailcontact tussen de toezichthouder en de locatieverantwoordelijke. Het kan ook zijn dat de toezichthouder contact wil met andere medewerkers van de houder, zoals de pedagogisch coach of een aandachtsfunctionaris. Soms kiest de toezichthouder er ook voor om contact op te nemen met de oudercommissie.

Bijna altijd beoordeelt de toezichthouder ook documenten van de houder bij een onderzoek. De toezichthouder vraagt deze per e-mail aan de locatieverantwoordelijke. De toezichthouder geeft aan wanneer hij de documenten wil ontvangen. De houder is verplicht om deze documenten op tijd aan te leveren. De houder moet er ook voor zorgen dat hij voldoet aan de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) bij het versturen van persoonsgegevens. De toezichthouder kan hierbij helpen door een beveiligde e-mail te versturen waarop de locatieverantwoordelijke kan antwoorden.

Een toezichthouder kan ervoor kiezen om een herstelaanbod aan te bieden als er enkele overtredingen zijn. De houder krijgt dan de mogelijkheid om binnen het lopende onderzoek de overtreding(en) te herstellen. De termijn hiervoor kan maximaal 2 weken zijn. De toezichthouder doet alleen een herstelaanbod als hij verwacht dat de houder de overtreding snel kan oplossen. Daarbij neemt de toezichthouder ook mee dat de snelle oplossing tot echte langdurige kwaliteitsverbetering moet leiden. Een houder kan wel vragen om een herstelaanbod, maar de toezichthouder bepaalt of dit de beste oplossing is.

Als de houder het conceptrapport heeft ontvangen, krijgt de houder de kans om feitelijke onjuistheden door te geven. De houder ontvangt een e-mail met het conceptrapport en uitleg over hoe en wanneer de houder contact kan opnemen met de toezichthouder.

Als de houder het inhoudelijk niet eens is met wat er in het inspectierapport staat, kan de houder een zienswijze indienen. De zienswijze moet een inhoudelijke reactie zijn op het inspectierapport. De houder kan in de zienswijze uitleggen waarom hij het niet eens is met de inhoud van het rapport. Als de houder het wel eens is met de inhoud van het rapport, mag de houder ook een zienswijze indienen. Dit kan een houder doen door in enkele zinnen een inhoudelijk positieve reactie te geven op het rapport. Ook kan de houder ingaan op wat hij al gedaan heeft om een overtreding op te lossen. Het is niet de bedoeling om (standaard) ‘reclame-uitingen’ aan te leveren als zienswijze.

Binnen een week nadat het inspectierapport definitief is, publiceren we het rapport in het Landelijk Register Kinderopvang.

Wat gebeurt er als niet alles goed is?

Elke gemeente heeft een handhavingsbeleid vastgesteld. Hierin staat hoe zij omgaan met overtredingen. Het kan zijn dat de houder een aanwijzing ontvangt waarin staat binnen welke periode de houder de overtreding moet herstellen. Ook kan het zijn dat de houder een boete krijgt van de gemeente. Een handhavingsbeleid is openbaar en in te zien bij de eigen gemeente.

Landelijk Register Kinderopvang

In het Landelijk Register Kinderopvang staan:

  • alle kinderopvanglocaties die door de gemeente en GGD zijn gecontroleerd en goedgekeurd
  • alle gastouders die via hun gastouderbureau zijn aangemeld en door de gemeente en GGD zijn gecontroleerd en goedgekeurd.

Je vindt daar ook de inspectierapporten, informatie over eventuele handhavingsmaatregelen en de contactgegevens van de gastouder.